Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 april 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de uitlevering van een opgeëiste persoon aan Israël toelaatbaar heeft verklaard. De persoon wordt verdacht van het verstrekken en uitvoeren van MDMA en deelneming aan een criminele organisatie. De verdediging voerde aan dat de lange periode sinds november 2016 zonder voortzetting van strafvervolging in Israël een flagrante schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn (art. 6 EVRM Pro) oplevert.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het lange tijdsverloop geen sprake is van een dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro. Daarbij werd het vertrouwensbeginsel gehanteerd dat Israël als verzoekende staat de fundamentele rechten zal respecteren en dat er een rechtsmiddel beschikbaar is na uitlevering. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest HR 2017:463 en de jurisprudentie van het EHRM, met name de criteria voor een 'flagrant denial of justice'.
De Hoge Raad stelt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van een flagrante schending die uitlevering ontoelaatbaar maakt. De verdediging slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een dergelijke schending. Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering blijft toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering aan Israël ondanks het lange tijdsverloop zonder berechting.