ECLI:NL:HR:2022:425
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende, een besloten vennootschap, vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van een bestuursrechtelijke zaak. Na vernietiging van een eerdere uitspraak door de Hoge Raad in 2019 werd de zaak door de rechtbank en het hof behandeld, waarbij de rechtbank de Inspecteur veroordeelde tot vergoeding van immateriële schade en het hof deze uitspraak bevestigde.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht opleverde, hoefde de Hoge Raad zijn oordeel niet nader te motiveren.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee blijft de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in stand, conform de eerdere uitspraken van rechtbank en hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn blijft in stand.