Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag loonheffingen over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2014, inclusief een beschikking inzake heffingsrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgde hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de aanslag en rente handhaafde.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij meerdere middelen werden voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën voerde verweer. De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld maar oordeelde dat geen van deze middelen tot vernietiging van het hofarrest konden leiden.
De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de aangevoerde vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.