Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:311

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
20/00048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMIVRKArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake opvang en basisbehoeften minderjarige

Deze zaak betreft een cassatieberoep van een moeder, tevens wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind, tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over de vordering tot opvang en voorziening in de basisbehoeften van het kind en de moeder. De moeder vorderde dat de Staat zorg zou dragen voor opvang en voldoende middelen om in de basisbehoeften te voorzien.

De Hoge Raad verwijst voor het gedingverloop naar eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter en het gerechtshof Den Haag. De klachten van de moeder tegen het arrest van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de Staat behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De moeder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met een specificatie van verschotten en salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.

Het arrest is gewezen door de president, vicepresidenten en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 25 februari 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de moeder en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/00048
Datum25 februari 2022
ARREST
In de zaak van
[de moeder], zowel pro se als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind [het kind],
thans verblijvende te [verblijfplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [de moeder],
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: de Staat,
advocaten: K. Teuben en M.M. van Asperen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/580912/KG ZA 19/947 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2019;
het arrest in de zaak 200.267.534/01 van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2019.
[de moeder] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [de moeder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Staat begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de moeder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresidenten M.V. Polak en M.J. Kroeze en de raadsheren C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
25 februari 2022.