ECLI:NL:HR:2022:302

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
20/01305
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.42 Wet IB 2001Art. 3.43 Wet IB 2001Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001Bijlage I Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing energie-investeringsaftrek wegens onjuiste energiebesparingsberekening

Belanghebbende, een GmbH, had een aanvraag ingediend voor een verklaring in het kader van de energie-investeringsaftrek (EIA) bij de minister van Economische Zaken en Klimaat. De minister wees deze aanvraag af omdat de overgelegde energiebesparingsberekening niet voldeed aan de eisen van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 en de bijbehorende Bijlage I.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigde deze afwijzing. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, stellende dat het College een verkeerde maatstaf hanteerde bij de beoordeling van de energiebesparingsberekening, met name wat betreft de referentieperiode en energiezuinigheid.

De Hoge Raad oordeelde dat het vereiste van een correcte energiebesparingsberekening wel van belang is voor de aanwijzing van investeringen als energie-investeringen, maar dat dit geen invloed heeft op de juridische begrippen investeren en bedrijfsmiddelen zoals bedoeld in de Wet IB 2001. De klachten van belanghebbende konden daarom niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de energie-investeringsaftrek bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01305
Datum25 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] GMBH, domicilie gekozen hebbend te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 februari 2020, nr. 19/385 [1] , betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake energie-investeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. van Lohuizen, heeft tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
Het geding voor het College spitste zich toe op de vraag of de Minister de aanvraag van belanghebbende om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, lid 1, Wet IB 2001 terecht heeft afgewezen op de grond dat belanghebbende geen energiebesparingsberekening heeft overgelegd die voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 in samenhang gelezen met de bij die uitvoeringsregeling behorende Bijlage I (tekst 2017).
2.2
Het College heeft geoordeeld dat de Minister de aanvraag terecht op de hiervoor in 2.1 vermelde grond heeft afgewezen.
2.3.1
Op grond van artikel 3.42, lid 8, eerste volzin, Wet IB 2001 kan tegen een uitspraak van het College betreffende de in het eerste lid van dit artikel bedoelde verklaring beroep in cassatie worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.
2.3.2
Op grond van artikel 3.43, lid 1, Wet IB 2001 wordt onder investeren verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voor zover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.
2.4
De klachten betogen in wezen dat het College bij de toetsing van de door belanghebbende overgelegde energiebesparingsberekening wat betreft referentieperiode en energiezuinigheid is uitgegaan van een verkeerde maatstaf.
Het vereiste van een energiebesparingsberekening is van belang in het kader van de aanwijzing van investeringen als energie-investeringen, maar heeft geen invloed op de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. De klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022.