ECLI:NL:HR:2022:1915

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
20/02900
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep in cassatie en toewijzing proceskostenvergoeding inkomstenbelasting 2011

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over het jaar 2011. Vervolgens trok belanghebbende dit beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand op grond van artikel 8:75a, lid 1, Awb.

De Staatssecretaris van Financiën erkende dat belanghebbende in aanmerking komt voor een forfaitaire vergoeding van de proceskosten en stelde dat de Inspecteur veroordeeld moet worden in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het geding bij het Hof, de Rechtbank en de bezwaarprocedure.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen aanleiding is om proceskosten in cassatie toe te wijzen, maar veroordeelde de Inspecteur wel in de kosten van het geding voor het Hof, de Rechtbank en de bezwaarprocedure, vastgesteld op €3.305 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Boerlage, Cools en Van der Voort Maarschalk en op 23 december 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Inspecteur is veroordeeld in de proceskosten voor het geding bij Hof, Rechtbank en bezwaarprocedure, maar niet in cassatiekosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02900
Datum23 december 2022
ARREST
Gewezen op het hierna vermelde verzoek van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende).

1.Beroep in cassatie, intrekking en verzoek

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 juli 2020, nr. BK-19/00646, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Belanghebbende heeft dat beroep ingetrokken en daarbij verzocht om vergoeding van de proceskosten voor beroepsmatige bijstandverlening op de voet van artikel 8:75a, lid 1, Awb. De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het verzoek

In het verweerschrift heeft de Staatssecretaris laten weten dat belanghebbende in aanmerking komt voor forfaitaire vergoeding van de proceskosten. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten die belanghebbende voor het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in cassatie.

3.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar, vastgesteld op € 3.305 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022.