ECLI:NL:HR:2022:1863

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
21/02475
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 WVW 1994Art. 7.1 Regeling bloed- en urineonderzoek (oud)Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake rijden onder invloed en bloedonderzoek

In deze strafzaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van geneesmiddelen en drugs. De kern van het geschil betrof de vraag of het bloedonderzoek, uitgevoerd conform de strikte waarborgen van artikel 7.1 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (oud), rechtsgeldig was.

De discussie spitste zich toe op de vraag of de bloedmonsters van de verdachte, die op de dag van bloedafname aan de interne post van de politie werden aangeboden en pas zeven dagen later verzegeld door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) werden ontvangen, 'zonder uitstel' aan het NFI waren verzonden. Het hof had de exacte verzenddatum niet kunnen vaststellen en oordeelde dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van het bloedonderzoek en het arrest van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02475
Datum13 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2021, nummer 21-000597-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 december 2022.