Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag over het beslag op een geldbedrag van €18.938,50, aangetroffen in de woning van de bestuurder van een besloten vennootschap die een coffeeshop exploiteert.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geldbedrag zal verbeurdverklaren, mede omdat niet was vastgesteld aan wie het geld toebehoorde. De klaagster stelde dat het geld de omzet van de onderneming betrof en werd gebruikt voor inkoop, ondersteund door kassa-uitdraaien die bij het geld waren aangetroffen.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk had gemotiveerd waarom het geld vatbaar zou zijn voor verbeurdverklaring, terwijl het beslag was gelegd onder de bestuurder in haar hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en het geld duidelijk verband hield met de onderneming.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het klaagschrift, waarbij het belang van strafvordering en de toereikende motivering van de verbeurdverklaring opnieuw moeten worden gewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het beslag op het geldbedrag.