ECLI:NL:HR:2022:1716

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2022
Publicatiedatum
20 november 2022
Zaaknummer
21/03556
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 552a Wetboek van StrafvorderingArt. 94 Wetboek van StrafvorderingOpiumwet
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslag op geldbedrag wegens verdenking witwassen en Opiumwet

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland inzake een klaagschrift over beslag op een geldbedrag, genomen onder verdenking van witwassen en overtreding van de Opiumwet. De klaagster, een vennootschap, had beroep ingesteld tegen het beslag, waarbij onder meer werd betwist of zij conform artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering was opgeroepen en of het beslag proportioneel en subsidiariteitseisen voldeed.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de klaagster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de rechtsvragen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en dit vonnis is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier. De uitspraak bevestigt daarmee het beslagbesluit van de rechtbank zonder nadere motivering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03556 B
Datum22 november 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020, nummer RK 20/006868, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 november 2022.