Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting werd opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €298.766,00, gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het hof had de betrokkene veroordeeld wegens gewoontewitwassen en de ontnemingsmaatregel gebaseerd op art. 36e lid 3 Sr. Vervolgens legde het hof een hoofdelijke betalingsverplichting op, waarbij de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor het gehele bedrag, mede in verband met een mededader.
De Hoge Raad overweegt dat artikel 36e lid 7 Sr de mogelijkheid van hoofdelijke betalingsverplichting beperkt tot gevallen waarin het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op grond van de eerste en tweede leden van artikel 36e Sr. Toepassing van lid 3 Sr sluit deze mogelijkheid uit. Het hof heeft dit miskend, hetgeen leidt tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en wijst de zaak terug voor nieuwe berechting en beslissing. De beslissing van de Hoge Raad volgt op eerdere jurisprudentie (HR 2019:1552) die deze uitleg bevestigt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor nieuwe berechting wegens onjuiste toepassing van de hoofdelijke betalingsverplichting.