Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
Uit de door het hof vastgestelde feiten blijkt kort gezegd dat de aanvrager daarbij telkens met anderen afspraken maakte - zoals naar voren komt uit onder meer bewijsmiddel 8 en 9 respectievelijk bewijsmiddel 50 - die ertoe leidden dat een vennootschap waarbij de aanvrager betrokken was ([B] BV, hierna: [B], respectievelijk [J] BV, hierna: [J]) een geldlening verstrekte aan [A] respectievelijk [H], die telkens werd gebruikt om grote uitstaande schulden die deze vennootschappen hadden bij aan hen gelieerde vennootschappen (in het bijzonder [C] BV, hierna: [C], en [L] BV, hierna: [L]) af te lossen, een en ander in ruil voor op dat moment te vestigen eerste pandrechten en andere transacties ten laste van [A] respectievelijk [H], die tot doel hadden de terugbetaling aan [B] respectievelijk [J] van deze geldlening, voordat de vennootschappen zouden failleren.
Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring bedoelde gedragingen van onder andere de verdachte tot doel hadden in het bijzonder de vennootschappen die aan de nadien gefailleerde vennootschappen [A] en [H] gelieerd waren te bevoordelen boven andere schuldeisers, door [A] en [H] nog in de gelegenheid te stellen hun daar uitstaande schulden te betalen ten laste van aan [A] en [H] toekomende activa, en dat de verdachte daarmee handelde met het opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van (andere) schuldeisers van [A] en [H].
Het hof heeft deze tenlastegelegde gedragingen in onderling verband en samenhang beoordeeld, en overwogen dat dit met zich kan brengen dat voor een samenhangend geheel van gedragingen geldt dat deze zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers terwijl dat niet voor iedere afzonderlijke gedraging geldt (arrest hof, p. 14).
Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht.
De in art. 343 Sr Pro gebezigde bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van dat opzet is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.”
Ten aanzien van het door het hof onder 3 laatste gedachtestreepje bewezenverklaarde wordt in de aanvraag - kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake kan zijn van (opzet op de) benadeling van schuldeisers van [H], omdat uit de bijlagen bij de aanvraag tot herziening volgt dat op de grondstoffen van [H] een eigendomsvoorbehoud rustte en de grondstoffen dus geen deel uitmaakten van de boedel van [H].
Ten aanzien van deze omstandigheden verdient verder nog opmerking dat uit de door het hof gebruikte bewijsvoering blijkt dat het hof ermee bekend was dat tot de afspraken behoorde dat ten behoeve van [N] ook nog een tweede - achter dat van [B] gesteld ‑ pandrecht zou worden gevestigd en daadwerkelijk is gevestigd. Dat betekent dat de als novum 1 aangeduide omstandigheden ook daarom niet kunnen worden aangemerkt als een nieuw gegeven in de hiervoor onder 4.1 bedoelde zin. Datzelfde geldt voor de als novum 2 aangeduide omstandigheden voor zover het eveneens de in het kader van de gemaakte afspraken gevestigde pandrechten betreft. Voor zover in dat verband als nieuw gegeven naar voren wordt gebracht dat bepaalde activa van [H] destijds onder enig (‘verruimd’) eigendomsvoorbehoud zouden vallen, doet die omstandigheid niet af aan de hiervoor onder 4.2.1 bedoelde bevoordeling van bepaalde schuldeisers, op grond waarvan het hof tot een bewezenverklaring van ook feit 3 is gekomen. Daarbij komt dat ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling dat bepaalde activa onder een bepaald voorbehoud zouden vallen, dat niet zou leiden tot een van de hiervoor onder 4.1 bedoelde gevolgen.
Ook overigens werpen de bij de aanvraag overgelegde gegevens geen nieuw licht op het oordeel van het hof dat de aanvrager heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [H].
5.Beslissing
27 september 2022.