ECLI:NL:HR:2022:1179

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
8 september 2022
Zaaknummer
21/04971
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof deed uitspraak op 5 november 2021, waarbij de naheffingsaanslag werd bevestigd.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde meerdere middelen aan tegen het oordeel van het hof. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende.

De Hoge Raad heeft de middelen inhoudelijk beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Gezien het ontbreken van vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was een nadere motivering niet vereist.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee bleef de uitspraak van het hof ongewijzigd en werd de naheffingsaanslag bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/04971
Datum9 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 november 2021, nr. 20/00318 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank ZeelandWest-Brabant (nr. BRE 18/3073) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.