Uitspraak
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een daarbij opgelegde boetebeschikking over de periode van 9 februari 2016 tot en met 8 mei 2016. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd het hoger beroep door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandeld, dat het oordeel van de rechtbank bevestigde.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde diverse middelen aan tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft deze middelen beoordeeld en geoordeeld dat geen van deze middelen aanleiding geeft tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 9 september 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.