ECLI:NL:HR:2022:1131
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over immateriële schadevergoeding wegens redelijke termijn overschrijding
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag behandelde. De zaak betrof de toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke belastingzaken.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten besloot de Hoge Raad geen veroordeling op te leggen. Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof wordt bevestigd.