Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Het hof stelt vast dat de verdachte op 21 maart 2013 is aangehouden. Kort daarna is de verdachte met behulp van een tolk in de Roemeense taal door de politie verhoord. Blijkens een in het dossier zittende akte van uitreiking is de inleidende dagvaarding op 22 maart 2013 aan verdachte in persoon uitgereikt.
Voor zover de raadsman verwijst naar het vijfde lid van artikel 260 Sv Pro, overweegt het hof dat deze bepaling eerst op 1 oktober 2013 is ingevoerd. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was deze bepaling nog niet in werking getreden. In de implementatiewet is niet voorzien in overgangsrecht, zodat hier het uitgangspunt van artikel 4 van Pro de Wet Algemene Bepalingen heeft te gelden: “De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht”. Daaruit volgt dat het nieuwe vijfde lid van art. 260 Sv Pro niet met terugwerkende kracht van toepassing is op gerechtelijke stukken als de dagvaarding, voor zover deze zijn uitgebracht vóór de inwerkingtreding van die bepaling op 1 oktober 2013, hetgeen in deze zaak het geval is. (vgl. PHR:2014:691)
Het hof overweegt verder dat artikel 6 van Pro het EVRM weliswaar voorschrijft dat een verdachte in een voor hem begrijpelijke taal op de hoogte wordt gesteld van hetgeen hem strafrechtelijk wordt verweten (de tenlastelegging), maar dat dit niet zonder meer geldt voor andere informatie zoals de oproepingsfunctie van de dagvaarding of de informatie met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen. Hierbij gaat het om de vraag of de verdachte redelijkerwijs heeft kunnen c.q. moeten begrijpen wat de status en betekenis is van het hem uitgereikte stuk.
In dit verband acht het hof het volgende van belang.
In dit licht is het hof van oordeel dat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis was van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding. Het is dan ook aan verdachte zelf te wijten dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Gelet hierop is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
3.Beslissing
15 juni 2021.