ECLI:NL:HR:2021:916
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal indienen
In deze zaak heeft een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener namens een cliënt een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juli 2020. De Hoge Raad stelde vast dat het beroepschrift op 1 september 2020 per aangetekende brief was ontvangen.
Volgens artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019, dat sinds 15 april 2020 geldt, moet een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener digitale indiening van het cassatieberoep verzorgen wanneer het beroep is gericht tegen een uitspraak die op of na die datum is bekendgemaakt. In deze zaak was dat het geval, zodat het beroepschrift digitaal via het webportaal van de Hoge Raad had moeten worden ingediend.
De griffier heeft de indiener bij aangetekende brief van 17 november 2020 verzocht om binnen zes weken alsnog digitaal in te dienen. Deze brief is volgens Track&Trace opgehaald, maar er is geen gevolg gegeven aan het verzoek. Daarom heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb.
De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan de zijde van de wederpartij toegewezen. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.
Het arrest bevestigt de verplichting tot digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures en benadrukt de strikte naleving van deze procedurele vereisten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de digitale indieningsplicht.