Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van de rechtbank
4.Beslissing
8 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de uitlevering van een opgeëiste persoon aan Oekraïne toelaatbaar heeft verklaard voor strafvervolging. De Hoge Raad beoordeelde het cassatiemiddel en verwierp het beroep, zonder nadere motivering omdat de klachten niet leiden tot vernietiging.
Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de uitspraak van de rechtbank niet voldoende precisie bevatte over het arrestatiebevel waarop de uitlevering is gebaseerd. Hierdoor ontbrak een toereikende omschrijving van het feit waarvoor uitlevering is toegestaan.
De Hoge Raad herstelde dit verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit zoals omschreven in de beschikking van de Oekraïense rechter-commissaris van 13 februari 2017. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd de uitlevering bevestigd met een correcte feitomschrijving.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar met herstel van de feitomschrijving en verwerpt het cassatieberoep.