Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2020 betreffende een klaagschrift op grond van artikel 164 lid 8 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Hoewel het beroep tijdig is ingesteld, zijn er geen cassatiemiddelen door een advocaat namens de betrokkene ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. Dit is een vereiste voor ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van cassatiemiddelen betekent dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen, conform artikel 447 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door raadsheer E.S.G.N.A.I. van de Griend en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 25 mei 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende cassatiemiddelen.