Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
9 februari 2021.
Hoge Raad
In deze rolbeslissing van de Hoge Raad wordt geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de aanzegging van de binnenkomst van stukken in een cassatieprocedure tegen een beschikking op een klaagschrift ex artikel 164 Wegenverkeerswet Pro 1994. De klager, een gedetineerde, had bezwaar gemaakt tegen de wijze van aanzegging, die via interne post binnen de penitentiaire inrichting aan hem was verzonden en niet persoonlijk was uitgereikt.
De advocaat-generaal concludeerde dat de aanzegging niet rechtsgeldig was verricht, omdat verzending via interne post niet gelijkgesteld kan worden aan persoonlijke uitreiking en ook niet als een andere wettelijk toegestane betekening kan worden beschouwd. Het formulier dat werd gebruikt om de ontvangst te bevestigen gaf aan dat de uitreiking niet persoonlijk had plaatsgevonden, wat de rechtsgeldigheid ondermijnt.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en beslist dat de zaak van de rol wordt gevoerd, zodat de procureur-generaal een nieuwe aanzegging kan doen uitgaan conform artikel 447 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering. Hiermee wordt het belang van correcte betekening in cassatieprocedures benadrukt, zeker bij gedetineerden.
De beslissing is uitgesproken door raadsheer Van de Griend op 9 februari 2021, waarbij tevens het belang van de juiste procedurele waarborgen bij aanzeggingen in cassatie wordt bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanzegging niet rechtsgeldig en voert de zaak van de rol voor een nieuwe aanzegging.