Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 januari 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Het geschil betrof de toepassing van vervangende hechtenis bij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte ten behoeve van een slachtoffer. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar slechts voor zover het hof vervangende hechtenis had toegepast.
De Hoge Raad oordeelde dat de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel niet correct was toegepast en vernietigde dat deel van het arrest. In plaats daarvan bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Voor het overige werd het beroep verworpen.
De uitspraak bevestigt de jurisprudentie van de Hoge Raad van 26 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:914) en verduidelijkt de wijze waarop sancties bij niet-betaling van schadevergoedingsmaatregelen kunnen worden omgezet. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.