Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 mei 2021.
Hoge Raad
Op 2 juli 2017 werd een tas met inhoud, waaronder een telefoon en paspoort, van een toeriste in Amsterdam met geweld van haar schouder weggerukt door een medeverdachte die achterop een scooter zat. De verdachte was bestuurder van die scooter. De aangeefster kwam ten val door het rukken aan haar tas.
Het hof oordeelde dat ondanks dat de verdachte niet vooraf van het plan op de hoogte was, zijn nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte tijdens en na de diefstal voldoende was om hem als medepleger aan te merken. Dit bleek uit zijn reactie op het rukken aan de tas, het wegrijden met hoge snelheid en het gezamenlijk zich ontdoen van de buit.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De gedragingen van de verdachte tonen volgens de Hoge Raad een bewuste en nauwe samenwerking die vereist is voor medeplegen van diefstal met geweld.
De zaak illustreert dat medeplegen niet alleen voorafgaande kennis vereist, maar ook kan worden vastgesteld op basis van gedragingen tijdens en na het strafbare feit die de samenwerking bevestigen.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 18 mei 2021 en bevestigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van diefstal met geweld.