ECLI:NL:HR:2021:677

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 april 2021
Publicatiedatum
30 april 2021
Zaaknummer
20/03655
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld tegen een belastingaanslag en belastingrente voor het jaar 2014. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden van het beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb.

De Hoge Raad heeft belanghebbende op 3 december 2020 via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt. Een later ingediend verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden werd buiten beschouwing gelaten omdat het na de termijn was ingediend.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en spreekt het arrest uit op 30 april 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03655
Datum30 april 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2020, nr. 19/00009, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/2227) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht van 3 december 2020 geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na de dagtekening van dat bericht te herstellen. Die termijn eindigde op 14 januari 2021. Volgens het digitale systeem van de Hoge Raad had belanghebbende op 3 december 2020 toegang tot het digitale dossier. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat het hiervoor bedoelde bericht op 3 december 2020 voor belanghebbende toegankelijk is geworden, zodat belanghebbende geacht moet worden dit bericht te hebben ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 4, Awb, op 3 december 2020.
Belanghebbende heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 14 maart 2021 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen met een nader verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden van het beroep. Aangezien die brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing.
Gelet op het vorenstaande zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021.