Uitspraak
wonende te [woonplaats],
Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 januari 2021.
Hoge Raad
Verzoeker, vader van een minderjarige dochter woonachtig in België, heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees dit verzoek af omdat door de maandelijkse alimentatieverplichting telkens een nieuwe schuld ontstond. In hoger beroep werd het verzoek eveneens afgewezen, ondanks verlaging van de alimentatie van €350 naar €300 per maand.
Het hof vond dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zou kunnen voldoen, mede omdat de Belgische rechter niet had toegegeven aan een nihil- of substantiële verlaging van de alimentatie. Verzoeker stelde dat hij zich inspande om de alimentatie te verlagen en dat toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn verzoek bij de Belgische rechter zou ondersteunen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze stellingen niet in zijn beoordeling heeft betrokken en dat dit onjuist en onvoldoende gemotiveerd is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
De uitspraak bevestigt dat een schuldenaar in de schuldsaneringsregeling doorgaans niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen, maar dat concrete omstandigheden en inspanningen tot verlaging van alimentatie meegewogen moeten worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor herbeoordeling van het verzoek tot schuldsanering.