ECLI:NL:HR:2021:199

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
8 februari 2021
Zaaknummer
20/02597
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 WVW 1994Art. 447 lid 3 SvArt. 2 Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen HR
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rolbeslissing over rechtsgeldigheid aanzegging in cassatie inzake ingevorderd rijbewijs

De zaak betreft een rolbeslissing van de Hoge Raad naar aanleiding van een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een klaagschrift ex artikel 164 Wegenverkeerswet Pro 1994, strekkende tot teruggave van een ingevorderd rijbewijs. De klager, een gedetineerde, ontving de aanzegging van het cassatieberoep via interne post in de penitentiaire inrichting, zonder dat deze persoonlijk aan hem werd uitgereikt.

De advocaat-generaal concludeerde dat de aanzegging niet rechtsgeldig was betekend, omdat verzending via interne post niet gelijkgesteld kan worden met persoonlijke uitreiking of een andere wettelijk voorgeschreven betekening. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en besloot de zaak van de rol te voeren, zodat een nieuwe aanzegging kan worden gedaan conform artikel 447 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening van gerechtelijke mededelingen, waarbij het modelformulier voor akten van uitreiking en de uitzonderingen vanwege COVID-19 niet kunnen rechtvaardigen dat aanzeggingen niet persoonlijk worden uitgereikt. De Hoge Raad handhaaft hiermee de strikte eisen aan de rechtsgeldigheid van aanzeggingen in cassatieprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanzegging niet rechtsgeldig en voert de zaak van de rol voor een nieuwe aanzegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02597 B
Datum9 februari 2021
ROLBESLISSING
naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2020, nummer RK 20-005799, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de zaak van de rol zal worden gevoerd, opdat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een nieuwe aanzegging van de binnenkomst van de stukken als bedoeld in artikel 447 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) doet uitgaan.
2. Beoordeling van de geldigheid van de uitreiking van de aanzegging als bedoeld in artikel 447 lid 3 Sv Pro
De uitreiking van de aanzegging als bedoeld in het hier toepasselijke artikel 447 lid 3 Sv Pro heeft niet op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 tot en met 18. Dit leidt ertoe dat de onderhavige zaak van de rol moet worden gevoerd opdat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een nieuwe aanzegging voor de behandeling van het cassatieberoep doet uitgaan.

3.Beslissing

De Hoge Raad voert de zaak van de rol.
Deze rolbeslissing is gegeven door de raadsheer E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 februari 2021.