ECLI:NL:HR:2021:1975
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake douanerechten en weigert aanvullende schadevergoeding
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over aan haar uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. Na eerdere procedures bij het Gerechtshof Amsterdam werd het geschil opnieuw aan de Hoge Raad voorgelegd in cassatie.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen tegen de uitspraak van het Hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. Het Hof had reeds een vergoeding toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn na verwijzing door de Hoge Raad, en deze beslissing werd niet bestreden. De Hoge Raad oordeelt dat de huidige cassatieprocedure niet onredelijk lang heeft geduurd en wijst het verzoek om aanvullende vergoeding af.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 24 december 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om aanvullende immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.