ECLI:NL:HR:2021:1903
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake loonheffing over 2018
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2020, waarin het verzet tegen een uitspraak van 18 oktober 2019 over ingehouden loonheffing over de periode van 1 januari 2018 tot en met 7 oktober 2018 werd behandeld.
De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 17 december 2021 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.