ECLI:NL:HR:2021:1896

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2021
Publicatiedatum
16 december 2021
Zaaknummer
21/04030
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:36c Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn

Belanghebbende heeft via het webportaal van de Hoge Raad een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het hof had zijn uitspraak op 10 augustus 2021 gedaan en deze was op 11 augustus 2021 aan partijen verzonden. De beroepstermijn van zes weken, zoals bepaald in artikel 6:7 Awb Pro, liep tot 22 september 2021.

Het beroepschrift in cassatie werd echter pas op 25 september 2021 ingediend, waardoor de termijn werd overschreden. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 5 oktober 2021 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te verklaren waarom de termijn was overschreden. Deze mededeling werd ook per e-mail verzonden.

Belanghebbende heeft niet gereageerd op dit verzoek. Gezien het ontbreken van een reactie en de overschrijding van de beroepstermijn, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 17 december 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/04030
Datum17 december 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 augustus 2021, nr. 19/01700, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/1576).

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

In deze zaak heeft belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld.
De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 11 augustus 2021. Uit het door belanghebbende op 25 september 2021 in het digitale dossier van belanghebbende geplaatste bericht blijkt dat het beroepschrift in cassatie op 25 september 2021 is ingediend. Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 22 september 2021.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 5 oktober 2021 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 5 oktober 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 5 oktober 2021. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2021.