Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag door meerdere keren met een barkruk te slaan. De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van (putatief) noodweer en noodweerexces, en klaagde over het oordeel van het hof dat het voor de beoordeling van het feitencomplex niet relevant was of verdachte voorafgaand aan het slaan met de barkruk met een mes was bedreigd.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld, maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarmee werd het cassatieberoep verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering. De uitspraak bevestigt de eerdere beoordeling van het hof en sluit het strafproces af met een definitieve veroordeling voor poging tot doodslag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot doodslag blijft in stand.