Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:175

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2021
Publicatiedatum
3 februari 2021
Zaaknummer
20/02441
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAwbAWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in zaak schadevergoeding motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende werd geconfronteerd met kosten van vervolging wegens een onbetaalde motorrijtuigenbelastingaanslag. De Inspecteur kende het bezwaar tegen aanmaningskosten toe, maar wees het verzoek om proceskosten af. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank en verzocht tevens om schadevergoeding, maar beide werden afgewezen.

Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de beroepstermijn met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro. Belanghebbende deed geen verzet tegen deze uitspraak en stelde ook geen cassatieberoep in tegen het hofarrest. Desondanks verzocht hij de Hoge Raad om alsnog op zijn schadevergoedingsverzoek te beslissen.

De Hoge Raad oordeelde dat geen wettelijke grondslag bestaat in de Awb of AWR om zelf over het verzoek tot schadevergoeding te beslissen. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te rekenen en sprak het arrest uit op 5 februari 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan wettelijke bevoegdheid om zelf te beslissen over het verzoek tot schadevergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02441
Datum5 februari 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Slowakije (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
betreffende een verzoek om schadevergoeding.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
1.2
Aan belanghebbende zijn kosten van vervolging in rekening gebracht in verband met een onbetaald gebleven aanslag in de motorrijtuigenbelasting. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanmaningskosten toegewezen en het verzoek om proceskosten in bezwaar afgewezen.
1.3
Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van het verzoek om proceskosten in bezwaar beroep aangetekend bij de Rechtbank Noord-Holland en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
1.4
De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1.5
Het Hof heeft bij uitspraak van 25 juni 2020 het door belanghebbende ingediende hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaard.
1.6
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof geen verzet gedaan en evenmin beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht op zijn verzoek om schadevergoeding te beslissen.
2.1
Er is geen wettelijke bepaling aan te wijzen in de Awb of de AWR waaraan de Hoge Raad de bevoegdheid kan ontlenen om zelf op een verzoek tot schadevergoeding te beslissen.
2.2
Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2021.