ECLI:NL:HR:2021:15
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belasting personenauto’s en motorrijwielen
Belanghebbende heeft in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch geprocedeerd tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over een door hem op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Na het arrest van het hof heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling van deze middelen geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproept, is motivering achterwege gebleven. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten.
De procedure kenmerkt zich door een fiscale geschil tussen belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën over de belastingheffing op motorrijtuigen. Het cassatieberoep richtte zich tegen het oordeel van het hof, dat het standpunt van belanghebbende verwierp. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtsgeldigheid van het hofarrest en sluit het geschil af.
De uitspraak is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, en is op 8 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.