ECLI:NL:HR:2021:1400

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
27 september 2021
Zaaknummer
20/00502
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep cassatie tegen ontnemingsvordering bij hypotheekfraude

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit bewezenverklaarde feiten van hypotheekfraude. De betrokkene stelde zich op het standpunt dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat in de hoofdzaak onherroepelijk was vastgesteld dat hij meer financieel nadeel dan profijt had ondervonden.

De Hoge Raad heeft dit verweer onderzocht en verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2021:789) waarin is bepaald dat het hof in een ontnemingszaak niet gebonden is aan het oordeel in de hoofdzaak over het financiële resultaat voor de betrokkene. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel faalt en verwierp het beroep.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ook de overige klachten van de betrokkene beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van het hofuitspraak. De Hoge Raad zag geen noodzaak om deze verder te motiveren, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 28 september 2021, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada betrokken waren.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00502 P
Datum28 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2020, nummer 21-007046-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van het verweer dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden afgewezen. Het voert daartoe aan dat in de hoofdzaak onherroepelijk is geoordeeld dat de betrokkene “meer financieel nadeel dan profijt heeft overgehouden aan de bewezen verklaarde feiten”.
2.2
De klacht faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad op 1 juni 2021 heeft uitgesproken in de zaak 20/00533 P, ECLI:NL:HR:2021:789.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 september 2021.