Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verstek werd verleend tegen verdachte die niet was verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep. De verdachte werd verdacht van het zich ophouden op de openbare weg met het oogmerk drugs te koop aan te bieden, in strijd met de APV Amsterdam 2008.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld of de oproeping voor de nadere terechtzitting op correcte wijze aan verdachte is betekend. Hoewel de oproeping was uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie omdat geen woon- of verblijfplaats van verdachte bekend was, is geen afschrift van de oproeping verzonden naar het adres vermeld in de schriftelijke bijzondere volmacht van de advocaat, dat als adresopgave in de zin van art. 36g.1.c Sv kon worden aangemerkt.
Het hof heeft nagelaten te onderzoeken of verdachte op de hoogte was van de zitting of geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Dit leidt ertoe dat de beslissing tot verstekverlening niet begrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.