Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Een proces-verbaal van aangifte van 15 mei 2014, proces-verbaalnummer PL130920141204801, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 01-03). Dit proces-verbaal houdt - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - in als verklaring van [slachtoffer] :
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke aanranding’ is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Als de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)
3.Beslissing
13 juli 2021.