Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
6 juli 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Rotterdam uit 2016, waarbij een rechtspersoon was veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vals geschrift. De aanvraagster, vertegenwoordigd door haar advocaat, verzocht om herziening van deze veroordeling.
Na beoordeling van de aanvraag oordeelde de Hoge Raad dat de aanvraag kennelijk ongegrond was. De motivering van deze beslissing werd verwezen naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2021:1046), waarin de Hoge Raad de gronden voor afwijzing nader toelichtte.
Uiteindelijk wees de Hoge Raad de aanvraag tot herziening af, waarmee het oorspronkelijke vonnis in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer, onder leiding van voorzitter J. de Hullu.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling van de rechtspersoon voor het opzettelijk gebruik van een vals geschrift.