ECLI:NL:HR:2021:1035

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
19/01996
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 6:1:16 lid 2 SvArt. 36e SrArt. 511i SvArt. 80a RO
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie in ontnemingszaak wegens vormvereisten en redelijke termijn

In deze zaak betrof het beroep in cassatie een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het hof ten onrechte de voordeelberekening baseerde op een strafbaar feit waarvoor het openbaar ministerie in de hoofdzaak deels niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat een cassatiemiddel slechts ontvankelijk is indien het een stellige en duidelijke klacht bevat over schending van een rechtsregel of verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift. De klacht in deze zaak voldeed hier niet aan, omdat deze slechts tot vernietiging van de ontnemingsuitspraak strekte indien het middel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Hierdoor bleef het middel onbesproken.

Verder werd opgemerkt dat een uitspraak tot ontneming pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk is geworden, en dat een ontnemingsuitspraak vervalt indien de veroordeling achterwege blijft. Tenslotte stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar maakte gebruik van artikel 80a RO om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige en duidelijke klacht en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01996 P
Datum13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2019, nummer 21-005208-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het eerste cassatiemiddel voldoet niet aan dit vereiste, zodat dit onbesproken moet blijven.
De klacht strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat het eerste cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e Sr van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016).
2.2
Nu het eerste cassatiemiddel onbesproken moet blijven en de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 juli 2021.