Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, als feitelijk bestuurder van een gefailleerde rechtspersoon, nalatig was in het bewaren van de administratie in ongeschonden staat, hetgeen een strafbaar feit van faillissementsfraude kan opleveren. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld, waarna hij in cassatie ging.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand bleef. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs om aan te tonen dat het niet tevoorschijn brengen van administratieve bescheiden aan de verdachte is toe te rekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor faillissementsfraude.