Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake (poging tot) gekwalificeerde diefstal in vereniging en deelneming aan een criminele organisatie.
De verdachte stelde meerdere middelen van cassatie voor, waaronder de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging vanwege deze termijnoverschrijding.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen behalve het vierde middel niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel werd gegrond verklaard omdat de stukken te laat waren ingezonden en de cassatiefase meer dan twee jaar duurde. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 54 maanden naar 48 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 21 januari 2020 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 54 naar 48 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.