ECLI:NL:HR:2020:92

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
21 januari 2020
Zaaknummer
18/04397
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie bij vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft de betrokkene geen middelen van cassatie ingediend binnen de bij wet gestelde termijn, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het voorschrift van tijdige indiening van middelen niet is nageleefd.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de niet-ontvankelijkverklaring het eindoordeel vormt. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04397
Datum21 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 juni 2017, nummer 22/002301-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2020.