Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor grootschalige oplichting van particuliere beleggers, waarbij hij feitelijk leiding zou hebben gegeven aan een rechtspersoon die deze oplichting meermalen pleegde. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 5 december 2018 een arrest gewezen waarin het beroep van verdachte werd afgewezen.
De verdediging had tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 13 juli 2016 verzocht om twee getuigen te horen. Dit verzoek werd bij tussenarrest van 27 juli 2016 afgewezen. Later werd het onderzoek op de terechtzitting van 13 december 2017 opnieuw aangevangen vanwege een gewijzigde samenstelling van het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 322 lid 4 Sv Pro niet van toepassing is op beslissingen genomen op grond van artikel 418 lid 2 en Pro 3 Sv, waaronder het afwijzen van het verzoek tot het horen van getuigen die al in eerste aanleg door de rechter-commissaris waren gehoord. Omdat het hof zijn einduitspraak niet mede baseerde op het tussenarrest over het getuigenverzoek, is het cassatiemiddel ongegrond.
De klachten over de uitspraak van het hof leiden niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad verwerpt het beroep en hoeft dit niet nader te motiveren, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.