Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 december 2018. Ondanks het instellen van het beroep zijn er door de advocaat van de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het niet voldoen aan de verplichting om tijdig cassatiemiddelen in te dienen. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 26 mei 2020. De zaak betreft een procedurele beslissing en bevat geen inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten of strafbaarheid van de verdachte.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.