ECLI:NL:HR:2020:829

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
30 april 2020
Zaaknummer
19/04831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de definitieve aanslag forensenbelasting en de vereisten voor oplegging

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 1 mei 2020 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ameland en een belanghebbende. De zaak betreft een definitieve aanslag forensenbelasting die aan de belanghebbende was opgelegd voor het jaar 2017. De belanghebbende, eigenaar van een woning in Ameland, had een verhuurovereenkomst met de VVV in Ameland en ontving op 15 september 2017 een aanslag forensenbelasting. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had deze aanslag vernietigd, omdat de heffingsambtenaar niet beschikte over alle benodigde gegevens om de belastingschuld vast te stellen. Het Hof oordeelde dat niet kon worden uitgesloten dat de woning minder dan 90 dagen ter beschikking had gestaan aan de belanghebbende.

De Hoge Raad heeft de klachten van het College beoordeeld en vastgesteld dat de uitspraak van het Hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad oordeelde dat de definitieve aanslag forensenbelasting kon worden opgelegd, omdat op de datum van de aanslag was voldaan aan het belastbare feit dat de woning op meer dan 90 dagen ter beschikking had gestaan. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Dit arrest is openbaar uitgesproken en is van belang voor de interpretatie van de regels omtrent forensenbelasting en de vereisten voor het opleggen van een definitieve aanslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04831
Datum1 mei 2020
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMELAND
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, nr. 19/00180, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/4046) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ameland. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland (hierna: het College) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende woont in [Z]. Hij is eigenaar van een woning in de gemeente Ameland (hierna: de woning). Belanghebbende heeft met betrekking tot de woning een verhuurovereenkomst gesloten met de VVV in Ameland. De heffingsambtenaar van de gemeente Ameland heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 september 2017 een aanslag forensenbelasting opgelegd voor het jaar 2017.
2.2
Het Hof heeft de aanslag vernietigd. Daarbij heeft het Hof overwogen dat de heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet beschikte over alle voor het vaststellen van de belastingschuld benodigde gegevens, aangezien niet viel uit te sluiten dat belanghebbende zich contractueel zodanig had verbonden dat de woning hem niet op meer dan 90 dagen ter beschikking stond. De Verordening Forensenbelasting van de gemeente Ameland voor het jaar 2017 (hierna: de Verordening) biedt de mogelijkheid voorlopige aanslagen forensenbelasting op te leggen maar de heffingsambtenaar heeft daar niet voor gekozen, aldus het Hof.
2.3
De tegen het in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof gerichte klachten betogen dat de definitieve aanslag kon worden opgelegd omdat op 15 september 2017 was voldaan aan het belastbare feit dat de woning op meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking had gestaan. Het Hof had de juistheid van de aanslag moeten beoordelen op basis van de aan het Hof ter beschikking staande gegevens, aldus de klachten.
2.4.1
Artikel 2, lid 1, van de Verordening bepaalt dat onder de naam “forensenbelasting” een directe belasting wordt geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
Artikel 6 van de Verordening bepaalt dat het belastingjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
2.4.2
Uit de in 2.4.1 genoemde bepalingen van de Verordening volgt dat forensenbelasting materieel verschuldigd is zodra in een kalenderjaar een woning op meer dan negentig dagen ter beschikking heeft gestaan. Vanaf dat moment kan de grootte van de forensenbelasting voor dat kalenderjaar worden vastgesteld en kan de definitieve aanslag in de forensenbelasting worden opgelegd. [1] De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de woning op 15 september 2017 op meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking stond. Gelet op het vorenstaande had het Hof de juistheid van die stelling mede aan de hand van de verhuurovereenkomst tussen belanghebbende en de VVV in Ameland moeten beoordelen.
2.4.3
Uit hetgeen in 2.4.2 is overwogen volgt dat de uitspraak van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2020.

Voetnoten

1.Vgl. HR 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2989