In deze zaak stond centraal of het vervallen van het vereiste van een instandhoudingsverklaring per 1 december 2003 gevolgen heeft voor het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst, specifiek de stoel 'Charly' van Montis. Het auteursrecht was eerder vervallen in 1993 wegens het niet tijdig afleggen van een instandhoudingsverklaring.
De Hoge Raad verwees naar eerdere arresten van het Benelux-Gerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin werd vastgesteld dat het auteursrecht dat vóór 1 december 2003 was vervallen wegens het niet voldoen aan de instandhoudingsverklaring, niet herleeft door het vervallen van die verplichting. Het HvJEU bevestigde dat de beschermingstermijnen van de richtlijn niet van toepassing zijn op auteursrechten die vóór 1 juli 1995 vervallen zijn wegens het niet voldoen aan een formeel vereiste.
Montis voerde aan dat het auteursrecht herleefd zou zijn, maar de Hoge Raad verwierp dit en oordeelde dat Montis geen belang heeft bij vernietiging van het hofarrest. Tevens wees de Hoge Raad het verzoek af om terug te komen op eerdere uitspraken over de verhouding tussen het instandhoudingsvereiste en internationale verdragen.
Tot slot veroordeelde de Hoge Raad Montis in de proceskosten van [verweerster], waarbij de gemaakte kosten als redelijk en evenredig werden beoordeeld gezien de complexiteit en het verloop van de procedure, inclusief de procedures bij het Benelux-Gerechtshof en het HvJEU.