Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland betreffende een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz. De kernvraag was of de rechtbank gehouden was het door de advocaat van betrokkene na afloop van de mondelinge behandeling gezonden faxbericht in de beoordeling te betrekken.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het beroep dan ook verworpen en de beschikking van de rechtbank in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.