Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van diefstal door middel van braak, gepleegd op meerdere momenten. Het hof had vijf voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, waarvan drie zijn omgezet in taakstraffen vanwege het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof Den Haag.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf, en vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve op het punt van de strafduur.
Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf met 104 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderd deze en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd met 104 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.