Uitspraak
1.Procesgang in cassatie
2.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over de hoogte van een opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.).
De Hoge Raad vernietigde eerder het hofarrest uitsluitend vanwege een fout in de berekening van de redelijke-termijnkorting, waarbij het hof was uitgegaan van het geschatte w.v.v. in plaats van de daadwerkelijke betalingsverplichting. In het eerste arrest werd het bedrag verminderd tot €33.977, maar bleek een misslag te zijn gemaakt in de vermelding van het oorspronkelijke bedrag.
In dit herstelarrest corrigeert de Hoge Raad deze fout en bepaalt dat het te betalen bedrag €30.580 bedraagt. Hiermee wordt de redelijke-termijnkorting correct toegepast op het juiste oorspronkelijke bedrag. De rest van het eerdere arrest blijft ongewijzigd. Dit arrest verduidelijkt de juiste toepassing van de redelijke-termijnkorting bij ontneming van w.v.v. en corrigeert de administratieve fout in het eerdere arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt het te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €30.580.