Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk inzamelen van niet bruikbare stookolie als gevaarlijke afvalstof en het overbrengen van deze afvalstoffen naar België zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van bevoegde autoriteiten, in strijd met de Wet milieubeheer.
De verdachte stelde onder meer bewijs- en rechtsklachten aan de orde, waaronder de vraag of stookolie kan worden aangemerkt als een gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer en de samenloop van strafbare feiten volgens de artikelen 55 en 56 Sr. De Hoge Raad verwees in haar beoordeling naar een gelijktijdig arrest over de definitie van afvalstoffen en oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hof-arrest konden leiden.
De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van het hof nader toe te lichten omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het illegaal inzamelen en vervoeren van gevaarlijke afvalstoffen.