Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die weigerde medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 163 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het geschil richt zich op de vraag of de vordering van de opsporingsambtenaar om medewerking te verlenen aan het ademonderzoek voldoende is om de verplichting tot medewerking te doen ontstaan, vooral gezien het verschil in terminologie tussen het 'bevel' op het kruisjesformulier en de 'vordering' in het proces-verbaal van bevindingen.
Het gerechtshof Den Haag had eerder geoordeeld over deze kwestie en het arrest werd door de verdachte aangevochten in cassatie. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht bevatte, was nadere motivering niet vereist.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd. Hiermee blijft de uitleg van de verplichting tot medewerking aan ademonderzoek conform het hof in stand. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof over de verplichting tot medewerking aan ademonderzoek.