ECLI:NL:HR:2020:392

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
6 maart 2020
Zaaknummer
19/04543
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 169 SrArt. 1.04 BinnenvaartpolitiereglementArt. 6.09 BinnenvaartpolitiereglementArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens aanmerkelijk onvoorzichtig varen met dodelijke afloop

Op 16 oktober 2013 voer de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en nalatig met een binnenvaartschip op de Nieuwe Maas, waardoor een motorjacht zonk en twee personen verdronken. De verdachte werd hiervoor door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig zinkt met levensgevaar en dodelijke gevolgen, alsmede overtredingen van het Binnenvaartpolitiereglement.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het arrest van 10 maart 2020 werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Claassens. Hiermee is het beroep van de verdachte definitief afgewezen en blijft de veroordeling van het gerechtshof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling van het hof in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04543
Datum10 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2019, nummer 22/005059-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M.A. Loevendie, advocaat te Breda, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 maart 2020.