In deze zaak stond centraal of Rabobank als hypotheekhouder rechtstreeks schade had geleden door vernielingen die verdachte aan een pand had toegebracht. Het gerechtshof had vastgesteld dat verdachte samen met anderen opzettelijk en wederrechtelijk het pand had beschadigd, waaronder het storten van cement in afvoeren en het vernielen van sanitair en inventaris. De schade aan het pand werd vastgesteld op €109.668,80.
Rabobank vorderde vergoeding van deze schade als benadeelde partij. De verdediging voerde aan dat Rabobank niet als benadeelde partij kon worden aangemerkt omdat zij niet het slachtoffer was. De Hoge Raad herhaalde het begrip 'rechtstreekse schade' zoals geformuleerd in eerdere jurisprudentie en oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat Rabobank rechtstreeks schade had geleden door de vernielingen, omdat zij als hypotheekhouder een lagere opbrengst van het pand had behaald.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Rabobank ontvankelijk was in haar vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van €109.668,80. De overige klachten van de verdachte werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand.