Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018, waarin het hof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft toegewezen aan het adres van de betrokkene. Deze werd veroordeeld voor medeplegen van de verkoop van grote hoeveelheden hennep in de uitoefening van een bedrijf, deelneming aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof ten onrechte de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel had gebaseerd op transacties waarvoor de betrokkene onherroepelijk was vrijgesproken, en dat het hof een daarop betrekking hebbend verweer onvoldoende had gemotiveerd. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het oordeel is genomen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie is derhalve verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met raadsheren van Strien en Boerlage, en uitgesproken op 3 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.